|
Klik hier voor een printvriendelijke versie in pdf formaat Het oude kerkhof aan de Kloosterstraat De oudste gedateerde grafmonumenten Begraafplaatsen buiten de bebouwde kom Overdracht kerkhof aan de kerk in 1905 Begraafplaatsen op de kerkdorpen en bij het St.-Antoniusgesticht |
BEGRAAFPLAATSEN IN HORST
|
|
|
Nieuw kerkhof aan de Deken Creemersstraat in 1953
Opschorting ontruiming in 1986 Procedure Komplan 1987 tot 1992 Oprichting beheersstichting in 1995
Stichting Oud Kerkhof Horst |
|
Uitbreiding kerkhof in 1434 Uit 1219 stamt het eerste schriftelijke bewijs voor het bestaan van een kerk in Horst. Het oudste document aangaande het Horster kerkhof is van 1434 6. In het archief van de Sint Lambertuskerk te Horst wordt namelijk een charter uit 1434 bewaard met uithangend zegel in rode was van Jan van Heinsberg, bisschop van Luik. De vertaling van de Latijnse tekst luidt als volgt. Johannes, bij de gratie van God en de Apostolische Stoel bisschop van Luik, groet oprecht in Christus de in Christus beminde pastoor of fungerend geestelijke als mede de bestuurders of meesters van de kerkfabriek van de parochiekerk van Horst in het bisdom Luik. Het heeft ons behaagd dat gij een zeker stuk grond liggend bij en grenzend aan het kerkhof van voornoemde kerk, welk perceel is verworven voor de uitbreiding van het kerkhof en dat is omheind en omsloten met nieuwe muren, door onze wijbisschop op wettige wijze kunt laten wijden wanneer U dat het beste uitkomt, en wij staan zulks middels dit schrijven uit bijzondere genade toe en wij geven volledig verlof daartoe aan onze wijbisschop, wie dat op dat moment ook moge zijn. Gegeven onder ons zakenzegel dat aan deze akte is bevestigd. In het jaar onzes Heren veertienhonderd vierendertig op de eerste dag van maart. Uit deze akte blijkt tevens dat het kerkhof ommuurd was. Pastoor van de kerk was in deze jaren waarschijnlijk Mathijs van Burlo, tevens de eerste pastoor van de kerk van Horst wiens naam bewaard is gebleven. |
|
|
||
|
|
Lijkwegen
Dirk van der Horst was van 1457 tot circa 1492 heer van Horst. Op 1
februari 1492 heeft hij alle Horstenaren het recht verleend op het planten
en kappen van eiken op de gemeentegronden langs alle openbare wegen, onder
de bepaling dat er voldoende ruimte over bleef voor het passeren van
voertuigen7. Interessant is dat in het stuk de toen bestaande soorten
wegen worden opgesomd: herstraten, lieckwegen, mestwegen of gewone wegen
en voetpaden. We mogen aannemen dat de bepaling op het passeren van
voertuigen geen betrekking had op voetpaden als kerkepad of schoolpad.
Maar hoe zit het met de Horster lijkwegen? De benaming komt in het hele
land voor. Langs lijkwegen bracht men de doden naar de kerk en het
kerkhof. Was er iets speciaals met deze wegen aan de hand? Waren er
bepaalde rechten aan verbonden? Werd een openbare weg misschien alleen
tijdens een begrafenis zo genoemd, als zijnde de weg waarlangs men de dode
heeft vervoerd naar zijn laatste rustplaats? Maar waarom noemt Dirk van
der Horst de lijkwegen dan speciaal? We moeten niet vergeten dat één
begraafplaats voor een uitgestrekte gemeente als Horst betekende dat men
bij een kerkgang lange afstanden over vaak slecht begaanbare wegen moest
afleggen. |
|
|
|
|
Verplichting tot grafbezoek
Van 1487 tot 1510 was Jacobus van den Bosch pastoor van Horst. Hij heeft
tijdens zijn leven het bezoeken van zijn graf na zijn dood geregeld. Op 8
februari 1508 bevestigden de schepenen dat de pastoor onder andere een
perceel grond aan de kerk had geschonken onder de verplichting dat de
dienstdoende pastoor jaarlijks het graf van pastoor Van den Bosch zou
bezoeken8. Veel stichters van jaargetijden hebben dezelfde bepaling laten
vastleggen. De stichters van zogenaamde eeuwige jaargetijden hebben niet
voorzien dat zelfs voor de kerk eeuwig tijdelijk is. Hun graven worden
niet meer bezocht, erger nog: de meeste graven zijn zelfs niet meer terug
te vinden, zo ook niet dat van pastoor Van den Bosch. |
![]() De passiegroep, nu in de nieuwe St. Lambertuskerk |
|
Passiemonument
Op het oude kerkhof stond een zestiende-eeuwse beeldengroep van
onvervangbare cultuurhistorische waarde. Het monument komt onder
verschillende benamingen voor: Kruisberg, Calvarieberg, Wapenen van de
Passie (in het Latijn Arma Passionis), Gregoriusmis en tegenwoordig:
Passiemonument. De groep bestaat uit vier delen: een reliëf voorstellende
een zogenaamde Gregoriusmis, een zuil met passietekens bekroond door een
haan, een beeld van Christus op de Koude Steen en tenslotte een groot
kruis9. Waar de groep vóór 1890 precies op het kerkhof heeft gestaan is
niet meer met zekerheid te achterhalen. Er zijn aanwijzingen dat de groep
was geplaatst nabij het koor van de noordbeuk, het zogenaamde Berkele
koor, ten zuiden van de tegenwoordige kerktoren. Op een tekening uit 1738
van de kerk, het raadhuis en de markt door Jan de Beijer is wel de
kerkhofmuur te zien, maar géén passiemonument daarachter. |
![]() Enkele grafkruisen in de ommegang van het Atrium |
|
De oudste gedateerde grafmonumenten
In 1523 werd Johan van Wittenhorst benoemd tot ambtman van het ambt Kessel.
Het Huis ter Horst werd zijn ambtswoning. Johan I, later bijgenaamd de Alde,
was het eerste lid van de familie Van Wittenhorst als heer van de
heerlijkheid Horst. Hij en zijn vrouw Josina van Wees liggen begraven in de
kerk van Horst. Hun grafsteen uit 1572 is het oudste in Horst bewaard
gebleven grafmonument. Van 1523 tot 1738 zouden leden van deze familie in
Horst blijven, zij het met een onderbreking in de 17e eeuw. Zij hebben veel
voor de Horster gemeenschap betekend en onder andere schenkingen gedaan aan
de Lambertuskerk. Mogelijk behoort daartoe ook een hardstenen
kerkhofmonument daterend uit de eerste helft van zestiende eeuw. |
![]() |
|
Kerkhof rondom de kerk Op de oudste kadastrale kaart uit het begin van de 19e eeuw, minuutkaart gemaakt in 1841, is te zien hoe ingeklemd het oude kerkhof rondom de kerk lag14. Omgeven door een muur met toegangspoorten was ook de kerk slechts lopend over het kerkhof bereikbaar. Er waren waarschijnlijk vier poorten die toegang gaven tot de straten die tegenwoordig heten: de Hoofdstraat, de Steenstraat, de Kerkstraat en de Kloosterstraat. Het ommuurde Horster kerkhof lag aan drie zijden ingeklemd. Op een foto van circa 1890 van het 17e eeuwse raadhuis aan de markt vóór de kerk is rechts nog juist een toegangspoort tot het er achter liggende kerkhof te zien. Vanuit de Steenstraat was de Kerkstraat te bereiken door genoemde poort en via een voetpad over het kerkhof. Hetzelfde gold voor de Hoofdstraat. Het kerkhof rondom de kerk werd in 1846 dan wel gesloten, maar het was tot ongeveer 1900 nog altijd voor een deel aanwezig. In 1857 moest Simon Sartinger, wiens huis en werkplaats tegen de kerkhofmuur lagen (nu: Kloosterhof), nog goedkeuring verkrijgen om ramen met uitzicht op het kerkhof te mogen hebben. Tevens moest hij de kerkhofpoort die toegang tot de Hoofdstraat gaf, in orde maken15. De oude begraafplaats is tegenwoordig geheel geplaveid. In de huidige situatie lag dit kerkhof in het voetgangersgebied tussen de kerk en Kloosterhof, het plein tussen het atrium en Clarenshof (het oude patronaat), het winkelpand Van de Beuken met ingang tot de Steenstraat en het gebied tussen de kerk en het Lambertusplein. Horst vormde wat de ligging van het kerkhof betreft geen uitzondering op de omringende dorpen. Plaatsen als Sevenum, Lottum, Broekhuizenvorst en Swolgen hebben tot heden nog hun kerkhof bij of rondom de kerk. In Venray is het oude kerkhof nog herkenbaar in het gazon bij de kerk met hier en daar een achtergebleven grafsteen. In Horst was men gewend om even over het kerkhof te lopen en dat kan tot op de dag van vandaag. Ook het huidige, in 1953 in gebruik genomen kerkhof aan de Deken Creemersstraat, ligt intussen geheel binnen de bebouwde kom, op vijf minuten lopen van de kerk.
|
![]()
|
|
Begraafplaatsen buiten de bebouwde kom
Het begin van de negentiende eeuw was in veel opzichten een tijd van
veranderingen. De invloed van de burgerlijke overheid op het dagelijkse
leven werd duidelijker. Er kwam een scheiding tussen kerkelijke en
wereldlijke zaken. Maatregelen ter bevordering van de hygiëne, zoals
riolering en waterleiding, verbeterden de volksgezondheid. Muren en wallen
werden geslecht. De steden kregen lucht en ruimte. |
![]() De grafsteen van Johan van Wittenhorst en zijn vrouw Josina van Wees uit 1572 is het oudste in Horst bewaard gebleven grafmonument |
|
Algemene begraafplaats
Uit een verzoek in 1846 om goedkeuring voor de inrichting van een nieuwe
algemene begraafplaats blijkt dat er ook op het kerkhof bij de kerk een
begraafplaats voor "gezindheden behalve de Roomsch Katholijken" bestond,
zoals we hierboven al zagen bij het begraven vóór en áchter het
Passiemonument. |
|
|
Omheining en poort
In de begrafeniswet van 1869 stonden enkele zaken omtrent omheining en poort
die het gemeentebestuur van Horst blijkbaar tot handelen noopten. De
begraafplaats was omgeven door een beukenhaag en muren die volgens wettelijk
voorschrift twee meter hoog dienden te zijn. Aan de achterzijde grensde het
kerkhof met een lage haag aan de tuin van de familie Nelissen, het nu
bebouwde terrein tussen het kerkhof en de Herstraat. In 1875 kreeg de
burgemeester de opdracht van het gemeentebestuur te gaan praten met de
weduwe van Jan Nelissen over de hoogte van de haag. De gemeente wilde die
grensscheiding wel kopen. Men kwam tot een overeenkomst waarbij de familie
Nelissen tegen een jaarlijkse vergoeding van één gulden vijftig de haag tot
de gewenste hoogte van twee meter zou laten groeien. |
|
|
|
|
Vooral van de zijde van de provinciale geneeskundige raden was reeds in 1869
bij de totstandkoming van de begrafeniswet gepleit voor de bouw van
lijkenhuizen. De raden dachten daarbij aan bestrijding van besmettelijke
ziekten en de controle op de schijndood, waarvoor in de 19e eeuw een grote
angst bestond. Op 4 december 1872 verscheen in het Staatsblad de Wet op de
Besmettelijke Ziekten. In deze wet dwong de rijksoverheid elke gemeente tot
de bouw van een lijkenhuis binnen één jaar na afkondiging van de wet. Het
gemeentebestuur van Horst vond het, gezien de wettelijke verplichting,
daarom belangrijk om over een lijkenhuis te kunnen beschikken21. |
|
|
Inkomsten en uitgaven
Uit de gemeenterekeningen blijkt niet dat de gemeente grafrechten hief. Deze
wijze van inkomstenwerving zou het kerkbestuur als nieuwe eigenaar pas in
1905 gaan invoeren. Jarenlang verkreeg de gemeente Horst enkel inkomsten uit
de winning van hooi op de begraafplaats. Daaruit blijkt dat een gedeelte
bedekt moet zijn geweest met grasland, waarop natuurlijk niet geweid maar
wel gehooid kon worden. Vandaar dat voor de begraafplaats jaarlijks aan de
kant van de opbrengsten de verpachting van hooi en aan de kant van de
uitgaven een bedrag voor onderhoud van de begraafplaats voorkwam.
Hooiwinning en onderhoud stonden los van elkaar, waren niet in dezelfde
hand. Het hooien en het onderhoud werden evenwel nooit verricht door de
doodgraver. |
|
|
|
Doodgravers sedert 1882
Over de gemeentelijke bemoeienis bij het begraven van lijken staat in het
verslag van 1851 het volgende te lezen. Voor elke begraving wordt door den
veldwachter de plaats en de diepte der graven aangewezen, terwijl door den
ambtenaar van den burgerlijken stand op de naleving der bepalingen van het
burgerlijk wetboek betrekkelik het nodige tijdsverloop tussen het
overlijden en het begraven wordt gewaakt. Er was tot 1882 geen doodgraver.
De verste buren dolven het graf, uit nabuurplicht. Blijkbaar kon er soms
geen beroep worden gedaan op deze burenhulp. Hoe dan ook, de gemeente vond
het nodig om een beroep te kunnen doen op iemand voor het delven van een
graf. Op de gemeenterekening staat met ingang van 1882 jaarlijks een
bedrag van tien gulden voor de doodgraver. Het bleek in de jaren 1882 tot
1903 een deeltijdbaan te zijn voor de gemeentebode Bernard Willems
(1849-1917). Hij woonde in het huis de Lamp genaamd, nu Lambertusplein 11,
Van der Beele. Willems bekleedde ook nog als bijbaan de functie van
lantaarnopsteker en zijn bijnaam >Lampemenke= lag in dubbelopzicht voor de
hand. |
|
|
|
Overdracht kerkhof aan de kerk in 1905
In 1905 heeft het gemeentebestuur het katholieke deel van de begraafplaats
kosteloos overgedragen aan het kerkbestuur. Volgens het kerkbestuur was dit
een voordelige transactie "daar de onderhoudskosten gering zijn en het
kerkbestuur voornemens is voor het vervolg slechts tegen betaling toe te
staan zerken of monumenten te mogen plaatsen...". Aan de gemeente behoefde
daarvoor niet te worden betaald. Het bisdom had geen moeite met de
goedkeuring van deze overdracht25. Het kerkbestuur stelde een
Reglement op het
begraven van lijken op de begraafplaats van de Roomsch-Katholieke Kerk te
Horst op omvattende vijftien artikelen, waarin de hand van zijn secretaris
en oud-hoofd der school J.M. Boers is te herkennen. Voor honderd gulden kon
men een graf kopen, voor "eeuwig" want een aflooptermijn werd niet
vastgelegd26. Voor één gulden per jaar kon men een zerk, monument of kruis
plaatsen. Als er niet werd betaald, kon het jaar daarop tot verwijdering
worden overgegaan. Ook als het kerkhof te klein zou worden, kon men tot
verwijdering van niet-gekochte grafplaatsen besluiten. |
|
|
|
Grafmonumenten
Over de aanleg van het kerkhof aan de Kloosterstraat is weinig opgetekend.
Oud-deken P. Hoogers heeft tijdens zijn emeritaat in Horst geholpen bij de
inventarisatie van het parochiearchief door de heer Th.J. van Rensch.
Hoogers kreeg daarbij onder andere een beeld van de ontwikkeling van de twee
Horster kerkhoven. In een verslag heeft hij zijn bevindingen opgetekend29.
Bij de verbreding van het kerkhofpad tot straat begin jaren zestig werd over
de volle breedte van het kerkhof een smalle strook grond van de
begraafplaats gebruikt voor de aanleg van de weg. De nog aanwezige oude
grafkruisen, afkomstig van het eerste kerkhof, werden toen ondergebracht in
het atrium van de nieuwe kerk. Wat thans opvalt bij een bezoek aan het
kerkhof is dat het aantal grafmonumenten uit de negentiende eeuw beperkt is.
Slechts weinig families konden of wilden blijkbaar de herinnering aan hun
overledenen in een grafmonument vastleggen. De namen van deze families zijn: Bosser, Van den Bergh, Driessen, Esser, Graus, Haegens, Houben, Jeurissen,
Kellenaers, Van den Munckhof, Neujean, Thomeer en Verhaegh. Het betreft
minder dan één procent van de in de negentiende eeuw overleden Horstenaren! |
|
|
|
Bijzondere grafmonumenten Er zijn slechts twee oud-burgemeesters op dit kerkhof begraven. Het betreffen de graven van Theodoor Houba (nummer 177) en Alfons Esser (nummer 131). De pastoors van de Sint Lambertuskerk die op het Horster kerkhof liggen begraven zijn: pastoor Herman Graus (nummer 175), pastoor-deken Ludovicus Janssen (nummer 208) en pastoor-deken Theodoor Creemers (nummer 182). Verder zijn er nog vijf priestergraven, te herkennen aan een miskelk op de grafsteen ( de nummers 101, 145, 164, 173, 189). Bijzonder fraai zijn de monumenten van drie notarissen: Frans Bosser (nummer 116), J.A. van den Bergh (nummer 155) en Leonard Esser (nummer 158). Op het kerkhof zijn de graven te vinden van drie Horster hoofdonderwijzers, hoofden van de openbare, later bijzondere, lagere school. Het betreft: Gerard Driessen (1814-1886), Mathijs Boers (1832-1919) en Jozef van Bommel (1883-1953), respectievelijk de grafnummers 226, 40 en 171. Het grafmonument van Gerard Driessen is het grootste, maar het betreft dan ook een echt familiegraf. Naast zijn vrouw liggen er begraven zijn zoon Frans en diens vrouw. Gerard Driessen was vader van een groot gezin en stamvader van een grote familie. Een van zijn zoons, Dominicus, studeerde veeartsenijkunde in Utrecht en promoveerde er ook. Dr. D. Driessen schreef als gepensioneerd Oost Indisch Hoofdambtenaar en Ridder in de Orde van Oranje Nassau na een bezoek aan de begraafplaats in 1910 een brief aan het gemeentebestuur van Horst met het verzoek het graf van zijn ouders niet te ruimen31. Misschien is dit een aanwijzing dat na 1905 oude monumenten zijn geruimd. Tachtig jaar later zou een achterkleinzoon van H.G. Driessen, Dr. H.E. Driessen - rustend arts en eveneens gepromoveerd, woonachtig in Vancouver (Canada) - in Horst kunnen vaststellen dat het grafmonument van zijn overgrootouders er nog steeds staat, nu zelfs op een beschermde begraafplaats. Het grafmonument van Driessens leerling en opvolger als hoofd der school, Jan Mathijs Boers was bijna vergeten. Een 90-jarige kleinzoon wist het monument van zachte steen aan te wijzen, het opschrift is totaal verweerd. Een nieuwe naamplaat houdt het grafmonument van deze veelzijdig begaafde onderwijzer in onze herinnering. In zijn vrije tijd heeft meester Boers veel voor de Horster gemeenschap betekend, onder andere voor de harmonie, voor het kerkkoor en voor het kerkbestuur. Als secretaris van het kerkbestuur was hij mede verantwoordelijk voor de overdracht van de begraafplaats van de gemeente aan de kerk. |
|
|
|
|
Bijzondere vermeldingen Naast de hierboven al vermelde monumenten bevatten ook andere interessante details. Op 14 februari 1931 vond een ernstig ongeluk plaats op een overweg te Grubbenvorst, waarvan door een menselijke fout de overwegbomen niet gesloten waren. Een autobus kwam daardoor op de overweg tegen een passerende trein. Tot de dodelijke slachtoffers behoorde de zestienjarige Piet Moorrees. Op zijn grafsteen staat te lezen overleden te Grubbenvorst tengevolge van een noodlottig ongeluk32. Op het grafkruis van Harry Kleuskens die in 1944 op tienjarige leeftijd onder een kar verongelukte, staat de vermelding dat ons lief zoontje en broertje overleed ten gevolge van een noodlottig ongeval33. Een dergelijke vermelding op het graf van Martin Hagens, die in 1950 onder de eerste tractor van zijn vader om het leven kwam, ontbreekt34. Deze graven illustreren de gevaren verbonden aan het gebruik van landbouwwerktuigen, een stukje cultuurgeschiedenis dus. Op het grafkruis van oorlogsslachtoffer Wim van Velzen staat omgekomen bij luchtaanval35. Drie tombes van de familie Esser vermelden dat Karel apotheker, zoon Alfons burgemeester en schoonzoon Louis dierenarts was36. Paul Geurts was zeergeleerd, doctor, R.K. Priester en leraar te Rolduc37. Op het graf van Petrus van Montfort lezen we dat hij rustend pastoor van Melderslo was en overleed in het St. Antoniusgesticht38. Op het grafmonument van Jacques Boots staat dat hij leerling van het bisschoppelijk college (te Weert) was. Zeer toepasselijk, gezien zijn leeftijd, is de afbeelding van de opwekking van de jongeling van Naïm39. H. Jeurissen was kerk- en gemeenteontvanger40, terwijl J. Billekens behalve rustend veearts, ook nog Lid van het R.K. Kerkbestuur was41. J. Kellenaers was in leven Hoofd der school te Broekhuizenvorst. Zijn bidprentje, niet zijn grafsteen, vermeldt dat hij Ridder in de Orde van Oranje Nassau was42. Het enige grafmonument met een vermelding van deze onderscheiding is dat van pluimveeconsulent Willem Janssen43. |
|
|
Begraafplaatsen op de kerkdorpen en bij het St.-Antoniusgesticht Eind negentiende en begin twintigste eeuw werden er parochies gesticht in de gehuchten van de gemeente Horst, waardoor de wekelijkse kerkgang voor veel gelovigen aanzienlijk kon worden ingekort. Bij deze zogeheten kerkdorpen werden na de verheffing tot zelfstandige parochie in de buurt van de kerk begraafplaatsen aangelegd, achtereenvolgens te America in 1891, te Griendtsveen in 1895, te Meterik in 1919, te Melderslo in 1928 en te Hegelsom in 1934. In de tuin van het St. Antoniusgesticht, het oude ziekenhuis, nu Cultureel Centrum >t Gasthoês, werd in 1910 een begraafplaats voor overleden zusters aangelegd. Deze kleine begraafplaats werd in 1957 geruimd in verband met de bouw ter plekke van de kapel voor het bejaardenhuis Berkele Heem. De stoffelijke resten werden overgebracht naar het kerkhof bij het klooster van de zusters van het Kostbaar Bloed te Tienray. In de gemeenteverslagen staan jaarlijks de vermeldingen van het aantal lijken dat op de verschillende begraafplaatsen ter aarde is gesteld. Soms is de doodsoorzaak vastgelegd. Het blijkt dat in de eerste helft van twintigste eeuw de tuberculose veel, vooral jeugdige, slachtoffers eiste. |
|
|
|
Onderhoud kerkhof
Het onderhoud van het kerkhof vormde tot voor kort een sluitpost van de begroting, zowel voor de gemeente als voor de kerk. In de negentiende eeuw was op de gemeenterekening jaarlijks een bescheiden bedrag voor dit doel opgevoerd. De aanblik van het kerkhof van Horst, we moeten het eerlijk toegeven, was eigenlijk nooit fraai te noemen. Vele jaren lag het kerkhof er verlaten en verwaarloosd bij. Geregeld verschenen daarover berichten in de krant. Men vroeg zich af of er moedwillig vernielingen plaatsvonden of dat de tand des tijds aan het werk was. De meeste vervallen grafmonumenten werden niet meer hersteld. |
|
![]() Impressie van het nieuwe kerkhof
|
|
Nieuw kerkhof aan de Deken Creemersstraat in 1953
In de periode na de Tweede Wereldoorlog sprak men van en bouwde men aan Herrijzend Nederland. Die jaren waren ook op kerkelijk gebied zeer dynamisch. De kerkelijke overheid deed er alles aan om het katholieke leven weer tot nieuwe bloei te brengen, op vóóroorlogs niveau. De grote materiële schade aan kerkgebouwen werd in snel tempo hersteld, ook in Horst. Bijna tegelijk met de bouw van de nieuwe Lambertuskerk werd ook een nieuwe begraafplaats aangelegd. Het kerkbestuur van de Sint-Lambertusparochie beheerde sedert 1905 het R.K.gedeelte van de begraafplaats aan de Kloosterstraat. Hoewel uit het voorgaande blijkt dat men al vanaf het begin van de eeuw op zoek was naar een terrein voor een nieuwe begraafplaats, omdat het bestaande kerkhof vol was en geheel binnen de bebouwde kom lag, zou het tot het midden van de eeuw duren vooraleer een geschikt terrein, gelegen nabij de Vlies, werd gevonden. Ook deze dodenakker lag op loopafstand van de kerk, zoals pastoor-deken L. Debye met zijn eigen gevoel voor verhoudingen in de parochiekroniek schreef : "In november 1952 werd het nieuwe kerkhof ingezegend. We waren blij dat we nog zoo betrekkelijk dicht bij de kerk een terrein hebben kunnen vinden. De gemeente gaf verlof. Maar een paar maanden later had burgemeester Van Grunsven er volmaakt berouw over"44. Toen was namelijk besloten tot woningbouw in dat gebied. De deken woonde lang genoeg in Horst - eerst als kapelaan, daarna als pastoor van Hegelsom en vervolgens als pastoor-deken - om te weten hoe belangrijk de ligging van het kerkhof werd gevonden. Aldus herhaalde zich de geschiedenis... |
|
|
Sluiting begraafplaats aan de Kloosterstraat De laatste begraving op de algemene begraafplaats dateert van 10 september 1949. Na de ingebruikneming van het nieuwe kerkhof in 1953 vonden er op het oude alleen nog bijzettingen in familiegraven plaats. De laatste begraving op het R.K. gedeelte was die van Anna Rutten - van Daal , overleden op 29 september 1971. Op 13 december 1976 besloot het gemeentebestuur van Horst de oude begraafplaats aan de Kloosterstraat voor gesloten te verklaren per 10 september 1949 voor het algemeen gedeelte en per 5 oktober1971 voor het katholieke deel, zijnde de data waarop respectievelijk de laatste begravingen plaatsvonden. |
|
|
|
Verkoop kerkhof aan de gemeente Na vele jaren van overleg verkocht het kerkbestuur van de Sint-Lambertusparochie op 2 mei 1986 het voormalige rooms-katholieke kerkhof gelegen aan de Kloosterstraat45 bij notariële akte voor een bedrag van f 64.200 aan de gemeente Horst. De partijen dachten spoedig tot ruiming en inrichting als parkje te kunnen geraken. In de "voorwaarden en bepalingen" werd onder andere vermeld dat het verkochte is belast met diverse grafrechten. Voor rekening van de gemeente Horst zouden de betreffende graven worden overgebracht en ingericht op het kerkhof aan de Deken Creemersstraat. Het kerkbestuur zou als het aantal te verplaatsen graven hoger was dan veertig, de meerkosten betalen. De kerk wist namelijk niet op hoeveel graven zogenaamde "eeuwige rechten" rustten, terwijl de gemeente zich tegen te hoge kosten wilde indekken. Vreemd was natuurlijk dat nergens in deze overeenkomst iets blijkt van overleg met de nabestaanden van de houders van grafrechten. Al spoedig na het bekend worden van deze overeenkomst kwamen er dan ook bezwaren van deze nabestaanden. De kerk erkende het bestaan van grafrechten, maar dat bijna niemand die kon aantonen omdat ze in de meeste gevallen niet goed waren vastgelegd. Volgens het reglement kon men voor honderd gulden een graf kopen, werden de nabestaanden eigenaar en konden zij "eeuwigdurende" grafrechten claimen, zolang zij eigenaar bleven. Meteen na het bekend worden van de transactie in 1985 waren al enkele nabestaanden in het geweer gekomen. Toen wij onze ouders begraven hebben, dachten wij dat wij hen naar hun laatste rustplaats hadden gebracht, schreven W.J. Houwen en zijn echtgenote A. Houwen-Geurts in een brief aan het kerkbestuur van de Lambertusparochie. Afschriften van de brief gingen naar het gemeentebestuur, de gemeenteraad en naar de bisschop van Roermond. In feite was met die brief het proces in gang gezet dat zou leiden tot redding van het oude kerkhof, als gemeentelijk monument. Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap Kring Horst nodigde nodigde nog datzelfde jaar (1986) de heer R. Van Bruggen uit voor een lezing over begraafplaatsen. De heer Van Bruggen was directeur van de Dienst Algemene Begraafplaatsen van Utrecht en promotor van het nieuwe denken over begraafplaatsen. Hij had samen met onder andere professor dr. J. Hattinga Verschure kort daarvoor, op 2 september 1986, de vereniging de Terebinth, een landelijke Vereniging tot herstel en zorg rond dood en rustplaats, mede opgericht. |
|
|
|
Gemeentelijk beleid van 1986 tot 1992 Het gemeentebestuur heeft ruim zes jaar gestreden over de bestemming van het kerkhof. Haaks op het beoogde beleid van de gemeente stond de visie van een groep nabestaanden. De gemeente streefde naar inrichting als parkje inclusief ruiming van de meeste graven en de nabestaanden vochten voor het behoud van het kerkhof. De inrichting van het kerkhof als parkje werd dan ook vastgelegd in het bestemmingsplan voor de kom van Horst, in de wandeling genaamd het komplan. Tegen het plandeel "kerkhof" dienden de families Houwen, Vullinghs, Coppus, Beuijssen en Coumans bezwaarschriften in. Bij de verwerving van het kerkhof, dat viel binnen het plangebied van het ontwerp-bestemmingsplan voor de kom van Horst, had de gemeente voor het terrein van de oude begraafplaats al een duidelijk beleid uitgestippeld. Men dacht in feite aan een parkje met behoud een beperkt aantal waardevolle monumenten. Aan de oostzijde zou over de hele diepte een ventweg komen voor bevoorrading van de winkels aan de westzijde van Kerkstraat en aan de noordzijde langs de Kloosterstraat over de volle breedte een parkeerstrook. Ongeveer tweederde van het terrein zou er dan nog overblijven voor het parkje, waarvoor de gemeenteraad een keuze uit vier schetsontwerpen diende te maken. De gemeente ging meteen voortvarend te werk. Een speciaal in het leven geroepen commissie kreeg als opdracht een lijst van nabestaanden samen te stellen. Er werden daartoe oproepen gedaan in regionale en landelijke persmedia. De heer J.M. van Hegelsom maakte in 1986 op basis van een lijst van het kerkbestuur een nauwkeurige inventarisatie van alle aanwezige kruisen, zerken en monumenten, deels voorzien van schetstekeningen van mejuffrouw E.van den Broek. Hij kon toen ook nog de algemene begraafplaats, die kort daarna geruisloos werd geruimd, inventariseren. Er waren 356 herkenbare graven, het oudste van 1856 en het jongste van 1971. In totaal ging het om ongeveer 500 overledenen. Op basis van deze inventarisatie zou daarna worden vastgesteld welke grafmonumenten als waardevol aangeduid konden worden en welke mochten verdwijnen. In de stukken staan enkele namen van personen genoemd aan wie de gemeente deze netelige kwestie dacht te kunnen toevertrouwen. Zover kwam het echter niet. |
|
|
|
Plan tot ruiming kerkhof Kloosterstraat in 1986 Op 9 april 1986 ontvingen alle bekende nabestaanden van overledenen begraven op de voormalige R.K. begraafplaats een gezamenlijke brief van het gemeentebestuur en het kerkbestuur waarin mededeling werd gedaan van de voorgenomen ontruiming van het oude kerkhof. Hierin werd de nabestaanden meegedeeld dat de kerk de begraafplaats had verkocht aan de gemeente en dat de gemeente van plan was die te ruimen, een en ander natuurlijk volgens de bepalingen van de Wet op de Lijkbezorging. De correspondenten schreven dat ze terdege beseffen dat de voorgenomen ruiming bij veel nabestaanden gevoelig lag. Maar aan de andere kant besefte iedereen dat de huidige onderhoudstoestand diende te worden verbeterd. De gemeente was voornemens om de begraafplaats in de toekomst een overwegende parkfunctie te geven, met handhaving van het oorlogsmonument en mogelijk daaromheen "enkele grafmonumenten of -kruisen, die over cultuurhistorische waarden beschikken". |
|
|
|
Opschorting ontruiming in 1986 Een paar maanden later vernamen de nabestaanden in een brief en via de media dat de ontruiming van het kerkhof was opgeschort. Wat was er gebeurd? De aanleiding was onder andere een brief van 11 september 1985 waarin de toenmalige minister van WVC, drs L.C. Brinkman, de gemeentebesturen wees op hun taak inzake de bescherming van begraafplaatsen en grafmonumenten. Natuurlijk kwam die brief niet uit de lucht vallen. Begin jaren tachtig kwam een mentaliteitsverandering op gang ten aanzien van sterven en rouwen en in verband daarmee de dood en het begraven. Beheerders van oude begraafplaatsen uit het begin van de 19e eeuw vonden in jubilea aanleiding tot feestelijke herdenkingen met tentoonstellingen, publicaties en excursies. Nederland zou Nederland niet zijn als er geen vereniging van belangenbehartigers werd opgericht, de Terebinth46. Horstenaren die ijverden voor het behoud van hun oude kerkhof, behoorden tot de leden van het eerste uur. Op 19 augustus 1986 heeft het ministerie van WVC criteria vastgesteld ter beoordeling van begraafplaatsen voor plaatsing op de rijksmonumentenlijst. De gemeente Horst verzocht daarop aan de uitvoerende instantie, de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDM), de begraafplaats aan de Kloosterstraat met voorrang te beoordelen. Aldus geschiedde en reeds in een brief van 19 november 1986 kon de dienst het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Horst meedelen dat het kerkhof volgens Monumentenzorg niet in aanmerking kwam voor plaatsing op de rijksmonumentenlijst, maar dat zij wel van oordeel was dat de begraafplaats Kloosterstraat 5 diende te worden behouden. Vanuit het gezichtspunt van de lokale geschiedenis vond de RDM het bovendien van belang de nu nog aanwezige zerken niet te verplaatsen. De monumentale waarde van de begraafplaats was volgens de RDM van lokaal en regionaal belang. |
|
|
|
Procedure Komplan 1987 tot 1992 De gemeenteraad heeft vervolgens op 2 juni 1987 het bestemmingsplan Kom Horst vastgesteld. Hierin werd ook de herinrichting van het voormalige kerkhof als parkje geregeld. Hiertegen dienden vijf families bijna gelijkluidende bezwaarschriften in, die vervolgens door de gemeente voor niet ontvankelijk werden verklaard. De hoofddoelstelling van het komplan: het behoud en de versterking van het dorpseigene van Horst werd met de plannen voor de begraafplaats volgens de gemeente wel recht gedaan en volgens de reclamanten niet. De reclamanten gingen daarna in beroep bij Gedeputeerde Staten van Limburg. De bezwaren richtten zich tegen de functiewijziging van begraafplaats naar parkje en in het bijzonder tegen het onttrekken van een strook voor parkeerhavens langs de Kloosterstraat en van een strook van circa (sic!) vijf meter aan de oostzijde voor de aanleg van een ventweg. Voorshands zou dit een doodlopende ventweg worden, maar doortrekken naar de Herstraat waardoor een verbinding van Kloosterstraat en Herstraat zou ontstaan, behoorde tot de opties. Gedeputeerde Staten van Limburg beslisten op 5 januari 1988 over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Wat betreft het kerkhof waren Gedeputeerde Staten van oordeel dat het plan van de gemeente weliswaar onvoldoende recht deed aan de historische en maatschappelijke betekenis van de begraafplaats, maar dat een en ander geen aanleiding was om goedkeuring aan het plan als zodanig te onthouden. De uitspraak van Gedeputeerde Staten stemden gemeente en reclamanten niet tot tevredenheid, waarna beide partijen in beroep gingen bij de Raad van State. In Den Haag ging men het komplan en de bezwaarschriften nog eens grondig bestuderen. Zowel gemeente als provincie werden op de vingers getikt. Op 11 juni 1992 deed de Raad van State uitspraak. Die onthield goedkeuring aan het plandeel betreffende de aan te leggen ventweg in het bestemmingsplan Kom Horst. Het gemeentebestuur en de reclamanten legden zich bij deze uitspraak neer. De gemeente zag af van de aanleg van de ventweg en beloofde de raad nog in 1992 een aangepast model voor de begraafplaats voor te leggen. |
|
|
|
Oprichting beheersstichting in 1995 Het gemeentebestuur van Horst ging onder de inspirerende leiding van burgemeester drs R. Fasol (1988-1999) meedenken over mogelijkheden tot behoud van het kerkhof. Het gemeentebestuur besloot tot overleg met de vereniging de Terebinth. Dat gesprek vond plaats op 12 januari 1993. Hierin werd van gedachten gewisseld over de wijze waarop de gemeente tot de restauratie van de begraafplaats zou kunnen komen. Gedacht werd aan een beheersstichting bestaande uit vertegenwoordigers van nabestaanden, Stichting Kruisen en Kapellen, Stichting Oudheidkamer, Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap Kring Horst , een adviseur namens de gemeente en een namens het kerkbestuur. Terebinth gaf ten aanzien van een en ander nuttige suggesties, maar maakte ook duidelijk dat het eigenlijke werk op lokaal niveau diende te geschieden. In antwoord op vragen uit de gemeenteraad van augustus 1993 deelde het gemeentebestuur onder andere mee dat ten behoeve van de restauratie van de begraafplaats intussen een bedrag van f 154.000,- beschikbaar was. Met vooruitziende blik bleek het gemeentebestuur al rekening te hebben gehouden met een andere afloop als de geplande! Toch zou het nog tot november 1993 duren vooraleer er echt schot in de zaak kwam. Onder voorzitterschap van burgemeester Fasol werd op 18 november 1993 met enkele personen op uitnodiging van de burgemeester overleg gevoerd. Men besprak de wijze waarop een stichting voor het beheer van de begraafplaats kon worden opgericht, hoe het financiële kader eruit zou moeten zien en hoe deze bemenst zou moeten worden. |
|
|
|
Stichting Oud Kerkhof Horst Op 4 mei 1995 werd bij notariële akte de Stichting Oud Kerkhof Horst opgericht. Het eerste bestuur van de stichting bestond uit de heren J. Esselaar (voorzitter), J. Holthuis (vice-voorzitter), C. Kleuskens (secretaris), M. Cortenbach (penningmeester), J. Kleuskens, L. Smedts en G. Verheijen. In september lag er al een plan ter tafel voor een nieuwe kerkhofmuur aan de Kloosterstraat met ingangspoort en twee hoekgebouwtjes. Verder werden de nabestaanden schriftelijk geïnformeerd. De restauratie van het oude kerkhof vorderde daarna vlot. Een vast groepje vrijwilligers heeft de zorg voor herstel en onderhoud van grafmonumenten en verdere inrichting op zich genomen. De entree wordt gevormd door een fraaie ingangspoort met twee granieten bollen afkomstig van de oude poort en smeedwerk dat afkomstig is van het oude ziekenhuis aan de Gasthuisstraat. Op de beide hoeken aan de straatzijde zijn kleine gebouwtjes verrezen, ontworpen door architect Joop Esselaar (1934-1997), tevens voorzitter van de stichting. Het hoofdpad is voorzien van een bestrating met bakstenen, links en rechts zijn looppaden aangelegd en banken geplaatst. Aan de muur van de overdekte schuilruimte staan op een groot wandpaneel de namen van alle bekende overledenen en het grafnummer van hun begraafplaats. Verder is de beplanting vernieuwd met onder andere leilinden en bijzondere bomen. |
|
|
|
Plaatsing op monumentenlijst in 1995 Op 8 december 1995 is de begraafplaats op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst onder de volgende omschrijving: De voormalige begraafplaats aan de Kloosterstraat is gelegen op een rechthoekig terrein dat omzoomd is door muren en hagen. Deze voormalige algemene en R.K. begraafplaats werd op 1 januari 1847 in gebruik genomen 'wegens het gebrek aan genoegzaam geschikte plaatsen op het kerkhof bij de kerk gelegen'. In de Sint-Lambertuskerk bevinden zich nog een aantal bijzondere grafzerken en monumenten afkomstig van dit in 1846 gesloten, eeuwenoude kerkhof. Op de in 1976 gesloten verklaarde begraafplaats aan de Kloosterstraat bevinden zich zerken en graftekens van een groot aantal Horster families uit de negentiende en twintigste eeuw. Er is een variëteit aan monumenten. Het gedeelte dat was ingericht als algemene begraafplaats, kreeg in de jaren tachtig van deze eeuw een andere bestemming. Na de Tweede Wereldoorlog werd aan het eind van het hoofdpad een herdenkingsmonument geplaatst voor alle Horstenaren die als gevolg van oorlogshandelingen zijn overleden. Daarnaast zijn er een twintigtal graven van slachtoffers die op 12 oktober 1944 bij het bombardement op het centrum van Horst zijn omgekomen. Sedert 1995 is het beheer in handen van een stichting die als doel heeft het herstel en het behoud van het gedeelte dat was ingericht als katholieke begraafplaats. De ligging van deze begraafplaats in de nabijheid van de Sint-Lambertuskerk is van historische betekenis. Voor Horst en de regio is de oude begraafplaats aan de Kloosterstraat van grote cultuurhistorische waarde. G.F. Verheijen
|
|
|
|
NOTEN * Zie voor de herkomst van deze tekst de uitgebreidere versie in Horster Historiën 5 Cultuur te boek pagina 95 tot 138. Dit artikel is ook separaat als overdruk uitgegeven. Beide publicaties zijn verkrijgbaar via info@oudkerkhofhorst.nl 1W.J.H. Willems en W. Groenman - van Waateringe, "Een rijk graf uit de Vroege IJzertijd te Horst - Hegelsom", Horster Historiën 2 (Horst 1988) 13-29
29 GAV, APSLH, nummer 899.
36 Grafnummers 130, 131 en 132. 44 GAV, APSLH, nummer 899 45 Kadastrale aanduiding: Horst sectie D nr 5152 groot 3.210 centiaren.
46 Zie onder andere: De Terebinth, jaargang X, aflevering 4 september 1996.
Er kwam een stroom aan publicaties op gang, in dag- en weekbladen,
tijdschriften en in boekvorm. Teleac wijdde een televisieserie aan het
onderwerp onder de titel: Begraven & begraafplaatsen, Monumenten van ons
bestaan (Utrecht 1994; verkrijgbaar op video en als boek). In het seizoen
1998-1999 werd deze serie herhaald. |